Jong

Jongetjes waren het nog maar, 
tot elkaar veroordeeld, in de klas, in het dorp
wisten zij veel van toekomstdromen en mogelijkheden
van de betekenis van vriendschappen
van de fundamenten die ze aan het bouwen waren met elkaar.

Jongens waren het nog maar,
mannen zo groot dat ze dachten dat ze de wereld aan konden
en dat was ook zo, in de kracht van hun leven
tussen alle onzekerheden in
met de vrijheid van denken, ongebonden, 
verplichtingsloos
stevig op de fundamenten van hun jonge jaren
onverschrokken bloeiend, groeiend.

Mannen zijn het geworden, 
eigen levens, eigen wegen
de onverschrokkenheid voorbij
de verschillen van toen uitgegroeid tot wat het nu geworden is
uit het oog verloren door afstand en gemaakte keuzes
eigen levens, eigen werelden, eigen waarheden
tot het moment dat de blikken elkaar kruisen
de levenspaden even samenkomen
een blik, een woord, of eigenlijk zonder woorden
voorgoed wetend dat het fundament alle stormen heeft doorstaan
en immer hun gezamenlijk fundament zal blijven
vertrouwd tot aan de dood
een nooit vergeten
vriendschap